- Episcoop
- Epilepsie Infolijn
- Voorlichtingsbijeenkomsten
- Identificatie en hulpmiddelen
- Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Hieronder vindt u een selectie van veelgestelde vragen over epilepsie. Hebt u een andere vraag, stel deze per mail: info@epilepsiefonds.nl of bel de Epilepsie Infolijn: 0900 821 24 11.
Iemand heeft epilepsie als hij of zij bij herhaling last heeft van epileptische aanvallen. Deze aanvallen worden veroorzaakt door een stoornis in de hersenen. Er ontstaat een soort 'kortsluiting' in de hersenen, waardoor iemand even de controle over zijn of haar lichaam verliest. Dit uit zich in een aanval. Aanvallen worden ook wel insulten of toevallen genoemd.
Niet iedereen heeft dezelfde aanvallen. Het kan zijn dat iemand valt en gaat schokken met armen en benen. Het kan ook zijn dat iemand vreemde tintelingen voelt, vreemde geluiden hoort of alleen maar even voor zich uit staart.
Hoe aanvallen precies ontstaan, is erg ingewikkeld. Meer informatie over wat er in de hersenen gebeurt bij een epileptische aanval vindt u onder de hersenen.
Epilepsie is een verzamelnaam. Er is niet één epilepsie maar er zijn verschillende vormen van epilepsie en verschillende aanvalssoorten. Dat komt omdat er vele verschillende oorzaken zijn voor epilepsie. Die oorzaken bepalen de soort aanvallen en de hoeveelheid. Ook de prognose verschilt van persoon tot persoon. Gelukkig stellen medicijnen tegen epilepsie veel mensen in staat om aanvalsvrij door het leven te gaan.
Meer informatie over de verschillende aanvallen, vormen en oorzaken, vindt u hier.
De meest voorkomende aanvallen zijn partiële (gelokaliseerde) aanvallen.
Een aantal vormen van epilepsie is leeftijdsgebonden. Dat wil zeggen dat de aanvallen in een bepaalde leeftijdsperiode voorkomen en na een aantal jaren spontaan weer verdwijnen. Veel vormen van epilepsie worden echter veroorzaakt door aanleg, een ziekte of een hersenbeschadiging. Die aanvallen verdwijnen niet spontaan.
Behalve medicijnen innemen kan iemand met epilepsie veelal niets doen om een aanval te voorkomen. Sommige mensen die de aanval van tevoren voelen aankomen kunnen de aanval voorkomen door zich sterk te concentreren op een bepaald punt zodat een aanval op dat moment niet doorzet, maar veelal komt de aanval dan toch op een ander tijdstip. Spanningen en stress zijn soms uitlokkende factoren. Maar die zijn niet altijd te vermijden. Een gebrekkige nachtrust kan in sommige gevallen ook aanvallen uitlokken, zoals ook een overmatig alcoholgebruik. Vroeger werden wel leefregels voorgeschreven, zoals een regelmatige en rustige leefwijze, maar dit wordt niet meer gedaan omdat dit niet voor iedereen geldt. Als blijkt dat uitlokkende factoren te voorkomen zijn kan men daar individueel rekening mee houden. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor mensen die lichtflitsgevoelig zijn. 3 tot 5 procent van de mensen met epilepsie hebben hier last van. De epilepsie wordt dan uitgelokt door bepaalde lichtflitsen. Meer informatie over lichtflitsgevoeligheid vindt u hier.
Erfelijkheid kan een rol spelen bij epilepsie, maar hoe die overerving in zijn werk gaat is nog lang niet bekend.
Erfelijkheid
Waardoor epilepsie veroorzaakt wordt, is in veel gevallen nog steeds niet bekend. Er zijn echter families waarin epilepsie relatief vaker voorkomt. Hoewel erfelijkheid inderdaad een rol speelt bij epilepsie, is nog lang niet bekend hoe de overerving precies verloopt. De kans dat twee mensen een kind krijgen dat epilepsie heeft, kan alleen maar op grond van ervaringsgegevens worden geschat. Zo is bekend dat sommige vormen van epilepsie sterker erfelijk bepaald zijn dan andere.
Omdat er verschillende vormen van epilepsie bestaan, varieert de kans dat een kind van wie één van de ouders epilepsie heeft, ook epilepsie krijgt van 0 tot 50 procent. Gemiddeld zal het risico echter tussen de 2 en de 8 procent liggen. Voor de kans op overerving maakt het weinig uit of het de man of de vrouw is die epilepsie heeft. Wel wordt de kans op een kind met epilepsie veel groter als de epilepsie bij meer mensen en één familie voorkomt. Deze kans groeit eveneens naarmate epilepsie in de familie van beide ouders vaker voorkomt of als beide ouders epilepsie hebben.
Epilepsie kan ook onderdeel zijn van een ander (erfelijk) ziektebeeld. Daardoor kan het risico van epilepsie groter zijn, in bepaalde gevallen is dat zelfs 25 tot 50 procent. De kans op een kind met epilepsie is dus voor elk ouderpaar verschillend.
Als u vragen heeft over epilepsie en erfelijkheid, kunt u, na overleg met uw behandelend arts, terecht bij één van de academische ziekenhuizen of universitaire medische centra, waar erfelijksheidsonderzoek wordt verricht. In de brochure 'Erfelijkheid en zwangerschap' vindt u de adressen van de centra waar erfelijkheidsonderzoek wordt verricht. U kunt deze brochure hier downloaden of bestellen.
Tonisch-clonische (grote) aanval
Een grote aanval bestaat uit heftige bewegingen met het hele lichaam. Dit duurt meestal niet langer dan een paar minuten en gaat vanzelf over. Ingrijpen is daarom meestal niet nodig. Bovendien is het vaak zinloos. Tijdens de aanval reageert iemand daar namelijk niet op omdat het bewustzijn is verstoord. Het algemene advies is dan ook: laat de aanval zijn beloop hebben.
- Zorg er wel voor dat iemand tijdens de aanval niet in een gevaarlijke situatie terecht komt, zoals in het verkeer of in het water. Als er zo´n gevaarlijke situatie dreigt, moet wél ingegrepen worden. Bijvoorbeeld: trek iemand weg van een drukke straat of bij de waterkant.
- Probeer het hoofd te beschermen, met uw handen of door er bijvoorbeeld een jasje onder te leggen.
- Probeer de aanval niet tegen te houden door het heftige bewegen van armen of benen te stoppen. De bewegingen zijn te krachtig, bovendien kan het botbreuken of spierscheuren veroorzaken.
- Omdat de luchtwegen geblokkeerd zijn heeft het enkele geen zin om mond-op-mondbeademing toe te passen. Ook heeft het geen zin om water in het gezicht te sprenkelen om de persoon bij bewustzijn te brengen.
- Stop niets tussen de tanden. Een aanval treedt meestal zo onverwachts op dat u te laat bent om een tongbeet te voorkomen. Het lukt dan niet om iets tussen de tanden te krijgen, omdat de kaken al op elkaar geklemd zijn. Probeert u dit toch, dan kunt u uw vingers beschadigen of de tanden van de betrokkene. Zeker als u een hard voorwerp gebruikt. Met een zacht voorwerp, zoals een opgerolde zakdoek kunt u de luchtweg blokkeren.
- Zoek naar informatie, bijvoorbeeld een medische informatiekaart of een SOS-bandje of -kettinkje.
- Iemand tijd geven om weer bij te komen en omstanders op een afstand houden. De persoon is slap en bewusteloos. Maak knellende kleding los. Leg om de luchtwegen vrij te houden, de persoon op de zij (stabiele zijligging) met het hoofd iets naar achteren. Hierdoor kunnen speeksel en eventueel bloed (na tongbeet) uit de mond lopen. Omdat de spieren zich kunnen verslappen wordt zo ook voorkomen dat de tong in de keelholte zakt en deze afsluit.
- Controleren of er geen losse voorwerpen in de mond zitten.
- Vermijden dat de persoon water krijgt omdat vanwege sufheid de kans op verslikken groot is.
Hulp van een arts inroepen?
Het is zelden nodig hulp van een arts (112) in te roepen. In een aantal situaties wordt wel aangeraden dit te doen:
- Als de aanval langer duurt dan vijf minuten of als er meerdere aanvallen kort na elkaar volgen, zonder dat de persoon in de tussentijd bij bewustzijn komt. Op zich is er dan nog geen gevaar, maar omdat het wat tijd kost voordat hulp ter plaatse is, is het aan te raden na vijf minuten de hulpverlening op te roepen. Er kan dan sprake zijn van een (dreigende) status epilepticus. Er kunnen dan medicijnen worden toegediend die de aanval stoppen of die voorkomen dat er meer aanvallen komen.
- Iemand vijftien minuten na de aanval nog buiten bewustzijn is. (Verwar dit niet met een diepe slaap na een aanval).
- Iemand gewond is geraakt, bijvoorbeeld door het vallen.
- Iemand water heeft binnengekregen in een bad of zwembad.
- Het niet zeker is dat het om een epileptische aanval gaat.
Overige aanvallen
Bij een absence, myoclonische aanval of een eenvoudige partiële aanval kunt u:
- als omstander weinig doen. Deze aanvallen duren maar kort en gaan meestal vanzelf weer over. Blijf erbij tot de aanval voorbij is.
Complexe partiële aanval:
- De persoon niet plotseling beetgrijpen, dat kan verkeerd worden opgevat.
- De persoon met een rustige stem afleiden als hij of zij op gevaar afloopt.
- Zaken waaraan iemand zich kan bezeren buiten bereik houden.
- Erbij blijven tot de aanval over is en de persoon geruststellen.
- Iemand kan na de aanval nog wat verward zijn of vreemd reageren, maar kan daar zelf niets aan doen.
Informatie over eerste hulp bij aanvallen vindt u in de brochure 'Epilepsie in het kort', die u hier kunt downloaden of gratis bestellen.
Epileptische aanvallen duren vrijwel altijd maar kort en veroorzaken dan geen schade aan hersencellen. In de hersenen zit een mechanisme ingebouwd dat er voor zorgt dat een aanval vrijwel altijd vanzelf stopt. Ook als de epilepsie moeilijk te behandelen is, en iemand regelmatig aanvallen heeft, ontstaat er geen schade door de aanvallen zelf. Soms duurt het even voordat de hersenen weer normaal werken na een aanval, maar onomkeerbare schade ontstaat er niet. Als er heel veel aanvallen zijn en het duurt iedere keer weer even voordat de hersenen normaal gaan werken is er natuurlijk wel een groot deel van de tijd een stoornis in de hersenfunctie. Kinderen met absences hebben soms al duizenden aanvallen gehad, voordat de diagnose epilepsie wordt gesteld. Hersenschade is er dan nog steeds niet.
Als de aanvallen langer duren
Soms ontspoort een aanval en duurt dan langer dan 5 tot 10 minuten. In dat geval is het beter om te proberen de aanval te beëindigen met medicijnen zoals diazepam rectioles. De reden is, dat zulke langdurige aanvallen soms niet zomaar vanzelf stoppen. Bij een gegeneraliseerde tonisch-clonische aanval van meer dan 20-30 minuten (status epilepticus), is het wel denkbaar dat hersencellen onomkeerbaar schade lijden. Ook andere organen, zoals de longen en het hart, worden bij een status epilepticus soms zo zwaar belast, dat er schade ontstaat. Bij een status epilepticus is er soms ook een oorzaak, die niet alleen de epilepsie veroorzaakt, maar ook op zichzelf een bedreiging vormt (bijvoorbeeld een beroerte of een vergiftiging). Iedereen met een status epilepticus moet daarom naar het ziekenhuis, tenzij nadrukkelijk iets anders is afgesproken.
Eventuele gevolgen
Hoeveel last je van hersenschade hebt hangt van veel factoren af. De plaats van de schade is erg belangrijk. Op sommige plaatsen zitten we ruim in de hersencellen en merk je niet zoveel van de schade. Op andere plaatsen is een klein beetje schade al aanleiding tot forse stoornissen en beperkingen. Het maakt zelfs verschil aan welke kant van de hersenen de beschadiging zit. De 'dominante' kant, waar de taal zit, kan meestal minder schade hebben dan de 'niet dominante' kant. Ook leeftijd speelt een rol: bij heel jonge kinderen geeft hersenschade dikwijls minder gevolgen dan bij ouderen, doordat bij kinderen de hersenen zich nog wat kunnen aanpassen aan de schade. Bij epilepsie kunnen de hersenen beschadigd zijn door de onderliggende oorzaak van de epilepsie (bijvoorbeeld een hersentumor). Het is de taak van de neuroloog om uit te vinden waar de schade zit, wat de stoornissen en beperkingen zijn door de schade, en wat er aan te doen is.
Tijdens een tonisch-clonische (grote) aanval kan iemand blauw worden in het gezicht (vooral rond de mond). Het lijkt dan of iemand stikt, maar dat gebeurt niet.
Hemoglobine is een stof in het bloed die zuurstof kan binden. Tegelijk is het de bloedkleurstof: wanneer hemoglobine zuurstof heeft opgenomen kleurt het de huid en het bloed rood. Zonder zuurstof is hemoglobine blauw. Bij zuurstoftekort krijgt de betrokkenen dan ook een blauwe kleur, die men cyanose noemt (cyanose is Grieks voor 'blauw'). Bij een epileptische aanval ontstaat de kleur door het feit dan de betrokkene niet ademt en wel veel zuurstof gebruikt.
Het blauw worden vindt plaats in het eerste deel van de aanval, wanneer de luchtwegen tijdelijk geblokkeerd raken. Daarna herstelt de ademhaling zich, waarna de normale kleur weer terugkomt.
Na een aanval hebben de meeste mensen tijd nodig om 'de oude' te worden. Vaak heeft iemand na een aanval last van hoofdpijn of ander fysieke ongemakken. Post-ictale effecten variëren van verwardheid en lichte geïrriteerdheid tot soms ernstige gedragsproblemen. Niet bij iedere aanval treden post-ictale effecten op. Vooral de zogenoemde secundair gegeneraliseerde aanvallen zijn berucht. Tijdens deze aanvallen verliest degene die de aanval heeft zijn volledige bewustzijn. Het effect kan bij de één langer duren dan bij de ander. In het ergste geval houdt iemand dagenlang last.
Niet altijd worden post-ictale effecten herkend. Bij heel lichte aanvallen komt het zelfs voor dat de aanvallen niet worden opgemerkt, ook niet door de 'patiënt' zelf. Als hij of zij dan toch last heeft van post-ictale effecten, kan dit tot veel onbegrip leiden. De geïrriteerdheid of verwardheid wordt immers niet in verband gebracht met een aanval.
Vooral kinderen zijn hier wel eens de dupe van. Het gebeurt dat een kind door zijn omgeving onrustig gedrag wordt verweten, terwijl het er niets aan kan doen. Daarom is het ook zo belangrijk om per individu te onderzoeken of er post-ictale effecten van de aanvallen zijn. Bijvoorbeeld door een EEG-registratie te combineren met een continue gedragsobservatie: neuropsychologisch onderzoek. Zo'n onderzoek kan veel misverstanden wegnemen.
De meeste mensen met epilepsie worden behandeld met medicijnen die de aanvallen weg moeten houden. In bepaalde gevallen worden echter geen medicijnen gegeven, terwijl er toch aanvallen optreden. Het gevaar van epilepsie zit in veel gevallen niet in de aanvallen maar in de gevolgen. Bijvoorbeeld: een aanval zelf hoeft niet gevaarlijk te zijn, maar wel een ongelukkige val hierdoor. Een grote aanval met stuiptrekkingen en bewusteloosheid geeft over het algemeen meer kans op ongelukken dan een aanval waarbij iemand af en toe heel eventjes wegraakt.
Als de gevolgen van een aanval niet ernstig zijn en de aanvallen sporadisch voorkomen en heel licht zijn, hoeven ze niet altijd behandeld te worden. Wel moet er rekening mee gehouden worden dat ook het hebben van lichte wegrakingen de rijvaardigheid beïnvloedt. Aanvallen die alleen 's nachts optreden hoeven ook niet altijd behandeld te worden. Dit kan ook gelden voor aanvallen die slechts af en toe optreden (bijvoorbeeld één keer per jaar) en die weinig last geven.
Ook kunnen medicijnen soms achterwege blijven wanneer de aanvallen veroorzaakt worden door een aanleiding die eenvoudig te vermijden is, bijvoorbeeld lichtflitsen.
De meeste mensen hebben bij de juiste dosis van het juiste medicijn geen last van bijwerkingen. De bijwerkingen van de huidige anti-epileptica zijn over het algemeen gering. Wel kan het lichaam na één tot anderhalve week overgevoelig reageren. Een van de reacties is huiduitslag. Bij het optreden van de eerste symptomen van ernstige huidreacties dient de behandelend arts geraadpleegd te worden: stoppen of niet? Sporadisch komen problemen met de lever of de nieren, keelontsteking, haaruitval, bloedarmoede of gewichtstoename voor.
Omdat het lichaam in het begin van de behandeling moet wennen aan de medicijnen wordt (zo mogelijk) begonnen met een lage startdosering. In deze beginfase kunnen de volgende verschijnselen optreden: gevoel van dronkenschap, duizeligheid, slaperigheid, traagheid, gebrek aan eetlust of misselijkheid. Deze verschijnselen verdwijnen meestal vlug. Als ze na verloop van tijd niet verdwijnen moet de arts geraadpleegd worden. Raadpleeg ook de bijsluiter. Ernstige bijwerkingen komen (gelukkig) zelden voor.
Meer informatie over medicijnen vindt u in de brochure 'Epilepsie en medicijnen'. U kunt deze brochure hier bestellen of direct downloaden.
De juiste dosis medicijnen kan (meestal) pas na een tijdje vastgesteld worden. Medicijnen worden door de lever afgebroken. Van te voren kan niet voorspeld worden hoe snel dat gaat, ook niet hoeveel van de werkzame stof van het medicijn wordt opgenomen in het bloed. Dit verschilt per persoon. Er moet dus persoonlijk worden vastgesteld in welke hoeveelheid het medicijn goed werkt. Ook het lichaamsgewicht is bepalend, vooral bij kinderen. Het is vaak een kwestie van proberen en aanpassen. Daarnaast is het bepalen van de bloedspiegel (soms) een handig hulpmiddel voor het vaststellen van de juiste dosering medicijn in het bloed.
De hoeveelheid medicijnen zegt over het algemeen niets over de ernst van de epilepsie. Niet de dosis is bepalend, maar de hoeveelheid werkzame stof die (via de darmen opgenomen) in het bloed aanwezig is. De een heeft soms wat meer nodig dan de andere voor een optimale werking.
Alternatieve medicijnen tegen epilepsie zijn er wel maar de werking is niet aangetoond. Lees hieronder meer over alternatieve behandelwijzen.
Alternatieve behandelwijzen
Een persoon kan zich beter voelen door alternatieve behandelwijzen. Het is met deze behandelwijzen niet mogelijk de epilepsie te genezen. Dit geldt trouwens ook voor anti-epileptica, die wel de aanvallen onderdrukken maar niet de epilepsie genezen.
Waarom naar een alternatieve behandelaar?
Het kan bij de levensstijl passen. Het kan als een aanvulling op de medische behandeling gezien worden. Ook kunnen mensen besluiten om naar een alternatieve behandelaar te gaan, omdat hun epilepsie niet door de medische wetenschap kan worden genezen.
Wat zijn de effecten?
Er zijn op dit moment geen alternatieve behandelingen die epilepsie kunnen genezen, al wordt dit soms wel beweerd. Toch hebben sommige mensen met epilepsie baat bij alternatieve behandelwijzen. Het kan de kwaliteit van iemands leven verbeteren.
Waarop kunt u letten?
- Het spreekwoord ´Baat het niet, dan schaadt het niet` gaat zelden op. Ga naar een erkende alternatieve genezer. Win goede informatie in.
- Wie een alternatieve behandelaar bezoekt kan hierdoor kritiek uitlokken van zijn huisarts of neuroloog. Dat is vervelend, maar u hoeft zich er niet door tegen te laten houden. Wel is het aan te raden de samenwerking met de reguliere arts niet op te zeggen. Zorg dat de verschillende behandelaars onderling contact hebben. Dat voorkomt dat behandelingen elkaar ongunstig beïnvloeden. Stop nooit met de medicijnen zonder overleg met huisarts of neuroloog.
- Niet elke behandeling werkt bij iedereen. Als een behandeling bij iemand die u kent werkte, betekent dat niet dat het ook bij u zal werken. Wat dat betreft is er geen verschil met reguliere behandelingen.
- Veel hangt af van uw eigen opvattingen, uw eigen patroon van epilepsie en uw eigen omstandigheden. Uiteindelijk zult u op uw eigen gevoel moeten vertrouwen.
Enkele alternatieve behandelwijzen
Homeopathie
Onderzoek heeft bewezen dat epilepsie niet met homeopathische middelen genezen kan worden. Homeopaten zelf beweren meestal ook niet dat zij dit kunnen. Daarnaast is het zo dat homeopathische middelen, in tegenstelling tot anti-epileptica, geen bewezen aanvalsonderdrukkende werking hebben. Homeopaten geloven wel dat zij de algehele gezondheidstoestand van iemand met epilepsie kunnen verbeteren, waardoor er minder aanvallen optreden.
Voeding
Onderzoek heeft niet bewezen dat bepaalde diëten invloed hebben op epilepsie. Een uitzondering is het ketogeen dieet, meer informatie hierover vindt u hier.
Yoga
In de Hans Berger Kliniek, het epilepsiecentrum in Oosterhout is een experiment gedaan om te onderzoeken of yoga een effect heeft op epilepsie. Daaruit bleek dat sommige mensen met epilepsie zich in het algemeen beter voelden door yoga. Yoga bleek echter niet het aantal aanvallen te verminderen.
Veel mensen met epilepsie geven aan problemen te ondervinden met hun geheugen. Echter, dat men geheugenklachten ervaart behoeft nog niet te betekenen dat deze veroorzaakt worden door een stoornis van het geheugen. Als we na een zeer vermoeiende dag de krant wil lezen, kan de vermoeidheid het onthouden ervan belemmeren. Op het moment dat we weer uitgerust zijn, zal het geheugen weer als vanouds werken en er wordt dan ook niet gesproken van een geheugenstoornis.
Geheugenstoornissen zijn het gevolg van het niet goed functioneren van structuren in de slaapkwab (temporaalkwab) van de hersenen. Dat de epileptische aanvallen geheugenstoornissen tot gevolg kunnen hebben, is voor veel mensen met epilepsie en direct betrokkenen heel herkenbaar. Vooral mensen met zogenoemde tonisch-clonische aanvallen, of complex partiële aanvallen, vinden het vaak erg moeilijk om zich gebeurtenissen kort voor en vlak na de aanval te herinneren. Na enige tijd herstelt zich dit meestal. Daarmee is nog niet beantwoord of door het jarenlang hebben van epilepsie het geheugen zal verslechteren.
Of epilepsie geheugenstoornissen kan veroorzaken hangt samen met een aantal factoren:
- De vorm van de epilepsie
Gezien het feit dat de temporaalkwab een erg belangrijke rol speelt bij het opslaan van informatie, is het risico dat er zich geheugenproblemen voordoen bij mensen met epileptische aanvallen die ontstaan in deze hersengebieden groter. Vooral als de aanvallen het gevolg zijn van een duidelijk vastgestelde hersenbeschadiging, zoals een hersentumor, of hersenbloeding. Dit wil echter uiteraard niet zeggen dat andere vormen van epilepsie geen geheugenstoornissen tot gevolg kunnen hebben. - Invloed van de medicatie
Veel mensen zijn van mening dat geheugenproblemen veroorzaakt worden door de medicatie die zij moeten nemen tegen de aanvallen. Dit is echter lang niet altijd het geval. Het negatieve effect van de aanvallen op het geheugen is vaak groter, dan de mogelijke bijwerkingen op het geheugen van de medicijnen. Desondanks is bekend dat vooral de oudere middelen als fenobarbital (Luminal) en fenytoïne (Diphantoïne) het onthouden van informatie kunnen belemmeren. Het effect van middelen als natriumvalproaat (Depakine) en carbamazepine (Tegretol) lijkt gering te zijn, terwijl dit van de allernieuwste medicijnen nog onvoldoende is onderzocht.
Deze effecten zijn echter gebaseerd op onderzoek bij grote groepen mensen met epilepsie. Het is dan ook zeer moeilijk om duidelijke uitspraken te doen over individuele mensen met epilepsie. Als u zelf geheugenproblemen in het dagelijks leven signaleert, is het verstandig dit met de behandelend arts te bespreken. Deze zal dan in samenspraak met u overwegen of het zinvol is een neuropsychologisch onderzoek te laten verrichten. Hierbij wordt met behulp van tests gekeken wat goed en minder goed kan worden onthouden, wat hiervan de oorzaak is, en vooral wat de mogelijkheden zijn voor het behandelen van de geheugenproblemen.
Voor mensen met epilepsie is auto- of motorrijden geen vanzelfsprekende zaak. Een aanval kan ernstige gevolgen hebben tijdens het rijden. De overheid heeft bepaalde voorwaarde gesteld bij het verstrekken van een rijbewijs aan mensen met epilepsie.
De algemene regel is dat mensen met epilepsie voor het klein rijbewijs een jaar aanvalsvrij moeten zijn voordat zij (weer) mogen autorijden. Voor het groot rijbewijs zijn de regels strenger. Het gebruik van anti-epileptica vormen bij een normale dosering geen probleem.
Of autorijden voor u al dan niet verantwoord is kunt u het beste bespreken met de behandelend neuroloog.
Voor uitgebreide informatie over de gang van zaken rondom epilepsie en autorijden kunt u de brochure 'Epilepsie en rijgeschiktheid' hier bestellen of downloaden.
In deze brochure staat een samenvatting van de Regeling Eisen Geschiktheid. De volledige tekst van de Regeling Eisen Geschiktheid is te vinden op de website van het CBR.
Afhankelijk van de frequentie van aanvallen kunnen er wel beperkingen zijn. Bijvoorbeeld de regels voor het autorijden (een jaar aanvalsvrij moet men zijn). Enkele beroepen kunnen soms niet uitgevoerd worden, bijv. vrachtwagenchauffeur. Ook met betrekking tot zwemmen en sommige sporten kunnen er beperkingen zijn. Maar over het algemeen valt het wel mee met de beperkingen. Bovendien is het zo dat 70 tot 75 procent van de mensen met epilepsie (bijna) nooit meer een aanval krijgt dankzij medicijngebruik.
Vooroordelen over epilepsie lijden een hardnekkig bestaan. Van oudsher zijn de verhalen rondom epilepsie tamelijk beladen. Te vaak wordt, onterecht, een verband gelegd tussen de aanvallen en psychisch niet normaal zijn, wat zeker te maken heeft met de soms bizarre uitingsvormen van verschillende aanvalstypen (bijvoorbeeld complexe partiële aanvallen).
Ten onrechte wordt ook wel eens verband gelegd tussen epilepsie en het hebben van een verstandelijke beperking, waardoor het beeld bestaat dat mensen met epilepsie niet normaal kunnen functioneren. Het tegendeel is echter waar. Ruim 75 procent van de mensen met epilepsie leidt een normaal bestaan: leeft, woont, werkt en recreëert als ieder ander.
Wel is het zo dat verstandelijk beperkten vaker last hebben van epilepsie dan anderen. De hersenbeschadiging die verantwoordelijk is voor de verstandelijke beperking is dan vaak de oorzaak van de epilepsie.
Door voorlichting wordt het beeld van epilepsie in de maatschappij duidelijk en reëler. De afdeling voorlichting van het NEF verspreidt zo veel mogelijk kennis over epilepsie. Dit gebeurt via schriftelijk voorlichtingsmateriaal, het uitgeven van het voorlichtingsmagazine Episcoop, het ontwikkelen van video's, het onderhouden en beheren van deze website, zorgen dat de media aandacht geven aan epilepsie en het verzorgen van voorlichtingsbijeenkomsten.

